
De andere helft
leesduur: 3min
Er steekt een felle wind op, een draaikolk van sneeuwvlokken danst rond de bomen. Mijn adem bedauwt het venster en maakt het beeld van de tuin nog waziger.
De stem van Madelon klinkt scherp en zuur. ‘Ik vraag me af hoe het zal zijn om weer in een normaal bed te slapen. Ik ben zo aan mijn futon gewend geraakt. Een futon is een heel aparte ervaring. Eens je zoiets gewoon bent…’
Ik hoor haar een oester binnenslurpen en haar mond met wijn spoelen. Wanneer ik omkijk, houdt ze haar hand met gespreide vingers voor zich uit en kijkt naar haar nagels.
Steeve zet de muziek luider en Joff komt aanzetten met een nieuwe bidon rode wijn. Ze maken de grote tafel leeg en beginnen erop te dansen, zien eruit alsof ze staan te bekvechten en elkaar elk moment naar de strot kunnen vliegen. Soms is het alsof alles zich vermenigvuldigt en ik het tiendubbel zie. Of ik zie hun bewegingen in fragmenten, als de afzonderlijke shots van een stuk film.
Steeve komt naast me zitten en vraagt of alles oké is. Zijn gezicht ziet eruit als een kubistisch schilderij. Hij lijkt wel tien meter van me af te zitten.
‘Ik voel me niet goed,’ zeg ik met mijn hand op mijn keel. ‘Alles is zo raar.’
‘Ik had je gewaarschuwd toen je dat tweede stuk cake nam.’
‘Weet ik. Maar toen voelde ik nog niets.’
‘Ik zei toch dat je het effect pas na drie kwartier voelt.’
‘Is Madelon nog altijd over haar futon bezig? Heeft ze ook uitgelegd waarom het in een futon lekkerder neuken is dan in een gewoon bed?’
Steeve glimlacht beleefd en geeft me een glas water.
Net wanneer ik iets wil zeggen, onderbreekt hij mijn gedachten: ‘Weet je wat je probleem met Madelon is? Ze is je andere helft.’
‘Mijn andere helft?’
‘Ze vertegenwoordigt iets wat jij mist. Iets waar je bang voor bent, maar dat toch een onweerstaanbare aantrekking op je uitoefent. Ik had hetzelfde met mijn broer. Ik haatte hem omdat hij in alles succesvoller was dan ik. Tot ik me meer als hem begon te gedragen.’
Ik sluit mijn ogen en zucht. ‘Eerlijk gezegd werkt ze me nu nog meer op de zenuwen, na wat jij gezegd hebt.’
De stem van Madelon klinkt scherp en zuur. ‘Ik vraag me af hoe het zal zijn om weer in een normaal bed te slapen. Ik ben zo aan mijn futon gewend geraakt. Een futon is een heel aparte ervaring. Eens je zoiets gewoon bent…’
Ik hoor haar een oester binnenslurpen en haar mond met wijn spoelen. Wanneer ik omkijk, houdt ze haar hand met gespreide vingers voor zich uit en kijkt naar haar nagels.
Steeve zet de muziek luider en Joff komt aanzetten met een nieuwe bidon rode wijn. Ze maken de grote tafel leeg en beginnen erop te dansen, zien eruit alsof ze staan te bekvechten en elkaar elk moment naar de strot kunnen vliegen. Soms is het alsof alles zich vermenigvuldigt en ik het tiendubbel zie. Of ik zie hun bewegingen in fragmenten, als de afzonderlijke shots van een stuk film.
Steeve komt naast me zitten en vraagt of alles oké is. Zijn gezicht ziet eruit als een kubistisch schilderij. Hij lijkt wel tien meter van me af te zitten.
‘Ik voel me niet goed,’ zeg ik met mijn hand op mijn keel. ‘Alles is zo raar.’
‘Ik had je gewaarschuwd toen je dat tweede stuk cake nam.’
‘Weet ik. Maar toen voelde ik nog niets.’
‘Ik zei toch dat je het effect pas na drie kwartier voelt.’
‘Is Madelon nog altijd over haar futon bezig? Heeft ze ook uitgelegd waarom het in een futon lekkerder neuken is dan in een gewoon bed?’
Steeve glimlacht beleefd en geeft me een glas water.
Net wanneer ik iets wil zeggen, onderbreekt hij mijn gedachten: ‘Weet je wat je probleem met Madelon is? Ze is je andere helft.’
‘Mijn andere helft?’
‘Ze vertegenwoordigt iets wat jij mist. Iets waar je bang voor bent, maar dat toch een onweerstaanbare aantrekking op je uitoefent. Ik had hetzelfde met mijn broer. Ik haatte hem omdat hij in alles succesvoller was dan ik. Tot ik me meer als hem begon te gedragen.’
Ik sluit mijn ogen en zucht. ‘Eerlijk gezegd werkt ze me nu nog meer op de zenuwen, na wat jij gezegd hebt.’
Het is alsof ik het bewustzijn kwijtgeraakt ben en er uren of dagen verstreken zijn. Mijn hoofd voelt aan als een stuk piepschuim. Waar is iedereen? Ik hijs me recht en strompel de gang in.
Lukraak trek ik een deur open. Madelon en Steeve. Samen in bed. Hun rood aangelopen wangen, de geur van hun intimiteit die nog in de kamer hangt. Madelon met losse haren en een volkomen ontspannen gezicht. Zo heb ik haar nog nooit gezien. Ze ziet er zo wild, zo dierlijk uit. Ze nestelt zich op haar zij, steunend op haar elleboog, kijkt me aan met een wellustige grijns. Het duizelt voor mijn ogen en ik moet me aan de deurstijlen vastklampen om me staande te houden.
Ik loop de gang in, bots van de ene muur naar de andere, als een bal in een flipperkast.
De woonkamer binnen. Joff zit tegen de sofa met zijn hoofd naar beneden. Ik probeer hem wakker te schudden, krijg enkel een diep gegrom als antwoord.
‘Ga naar jullie slaapkamer,’ zeg ik. ‘Ga kijken. Je vrouw bedriegt je.’
Dronken gemompel en tollende ogen.
‘Ga kijken,’ herhaal ik. ‘Ze ziet er helemaal anders uit, als een wild dier.’ De woorden blijven door mijn hoofd echoën, terwijl ik de kamer uit strompel.
Lukraak trek ik een deur open. Madelon en Steeve. Samen in bed. Hun rood aangelopen wangen, de geur van hun intimiteit die nog in de kamer hangt. Madelon met losse haren en een volkomen ontspannen gezicht. Zo heb ik haar nog nooit gezien. Ze ziet er zo wild, zo dierlijk uit. Ze nestelt zich op haar zij, steunend op haar elleboog, kijkt me aan met een wellustige grijns. Het duizelt voor mijn ogen en ik moet me aan de deurstijlen vastklampen om me staande te houden.
Ik loop de gang in, bots van de ene muur naar de andere, als een bal in een flipperkast.
De woonkamer binnen. Joff zit tegen de sofa met zijn hoofd naar beneden. Ik probeer hem wakker te schudden, krijg enkel een diep gegrom als antwoord.
‘Ga naar jullie slaapkamer,’ zeg ik. ‘Ga kijken. Je vrouw bedriegt je.’
Dronken gemompel en tollende ogen.
‘Ga kijken,’ herhaal ik. ‘Ze ziet er helemaal anders uit, als een wild dier.’ De woorden blijven door mijn hoofd echoën, terwijl ik de kamer uit strompel.
Ik open de voordeur. De ijzige lucht kreukelt mijn huid. Met mijn ellebogen voor me uit waggel ik naar buiten. Elke hap adem wringt mijn keel dicht. Spoedig zijn mijn handen zo verkleumd dat ze lijken te verbranden. Naar het einde van de tuin, het bos in. Tot aan mijn knieën in de sneeuw. Mijn schoenen zijn doornat en de kou knaagt aan mijn tenen.
Ik loop door. Zoals in Matala, die avond, toen ik alleen ging zwemmen. Ga niet voorbij de boeien, anders sleurt de stroming je de open zee in. Maar ik wilde de open zee in. Verdrinken. En nu… nu wil ik weglopen. Lopen en blijven lopen, tot ik een minuscuul zwart vlekje in een immense sneeuwvlakte word en in het niets verdwijn.
Ik loop door. Zoals in Matala, die avond, toen ik alleen ging zwemmen. Ga niet voorbij de boeien, anders sleurt de stroming je de open zee in. Maar ik wilde de open zee in. Verdrinken. En nu… nu wil ik weglopen. Lopen en blijven lopen, tot ik een minuscuul zwart vlekje in een immense sneeuwvlakte word en in het niets verdwijn.
Het raam kijkt uit op een besneeuwd veld. Mijn handen zien er oud uit. Blauwig en doorvlochten met lelijke aders. Boven mijn pols zit een naald.
Een man met een witte jas loopt rond mijn bed. ‘Hoe voelt u zich?’
Mijn hoofd weegt een ton. ‘Niet zo goed. Wat is er gebeurd?’
‘Niks ergs. U hebt een hoofdwond en een lichte hersenschudding. Dus, als u last hebt van migraines, duizeligheid… allemaal volkomen normaal, hoeft u zich geen zorgen over te maken.’
Hij loopt voortdurend te glimlachen, alsof hij er plezier aan beleeft om me dit allemaal te vertellen.
‘Wat doe ik hier?’ vraag ik. ‘Ik was met vrienden in een landhuis bij Vignolles.’
‘Dat weet ik. Uw vrienden belden de politie. Die heeft u gevonden.’
‘Politie?’ Mijn woorden weerkaatsen en ik voel mijn borstkas opzwellen. ‘En mijn vrienden?’
‘Die zijn ondertussen naar België teruggekeerd.’ Hij blijft even stil en kijkt me dan ernstig aan. ‘De politie vond u op twee kilometer van uw verblijfplaats. U lag bewusteloos in een ravijn. Heeft u enige herinnering van wat er precies gebeurd is?’
‘Nee. Niets.’
Hij knikt begrijpend en gluurt naar zijn klembord. En dan kijkt hij me aan, weer met dat ergerlijke lachje. ‘U kunt ook wel aan hallucinaties lijden. Geen zorgen, dat is de hersenschudding. Als u zich niet goed voelt, belt u dan gerust de verpleegster.’
Een man met een witte jas loopt rond mijn bed. ‘Hoe voelt u zich?’
Mijn hoofd weegt een ton. ‘Niet zo goed. Wat is er gebeurd?’
‘Niks ergs. U hebt een hoofdwond en een lichte hersenschudding. Dus, als u last hebt van migraines, duizeligheid… allemaal volkomen normaal, hoeft u zich geen zorgen over te maken.’
Hij loopt voortdurend te glimlachen, alsof hij er plezier aan beleeft om me dit allemaal te vertellen.
‘Wat doe ik hier?’ vraag ik. ‘Ik was met vrienden in een landhuis bij Vignolles.’
‘Dat weet ik. Uw vrienden belden de politie. Die heeft u gevonden.’
‘Politie?’ Mijn woorden weerkaatsen en ik voel mijn borstkas opzwellen. ‘En mijn vrienden?’
‘Die zijn ondertussen naar België teruggekeerd.’ Hij blijft even stil en kijkt me dan ernstig aan. ‘De politie vond u op twee kilometer van uw verblijfplaats. U lag bewusteloos in een ravijn. Heeft u enige herinnering van wat er precies gebeurd is?’
‘Nee. Niets.’
Hij knikt begrijpend en gluurt naar zijn klembord. En dan kijkt hij me aan, weer met dat ergerlijke lachje. ‘U kunt ook wel aan hallucinaties lijden. Geen zorgen, dat is de hersenschudding. Als u zich niet goed voelt, belt u dan gerust de verpleegster.’
Het gesprek heeft me zo vermoeid dat ik onmiddellijk in slaap val.
Ik droom van Madelon. We zijn samen in het bos. Ze loopt met open mond naar me toe. Nee, schat! Niet doen! Wanneer ze mijn arm vastgrijpt, sla ik haar pal in het gezicht. Ze kijkt me stomverbaasd aan, haar hand over de rode plek op haar wang.
Ik schiet wakker. De blik in haar ogen. Hoe verbijsterd, hoe totaal geschokt ze me aankeek. Deed ik dat echt? Heb ik haar echt geslagen? En daarna? Wat gebeurde er daarna?
Ik voel een migraine opkomen en bel de verpleegster, die me een pijnstiller geeft.
‘Er is bezoek voor u,’ zegt ze.
Ik droom van Madelon. We zijn samen in het bos. Ze loopt met open mond naar me toe. Nee, schat! Niet doen! Wanneer ze mijn arm vastgrijpt, sla ik haar pal in het gezicht. Ze kijkt me stomverbaasd aan, haar hand over de rode plek op haar wang.
Ik schiet wakker. De blik in haar ogen. Hoe verbijsterd, hoe totaal geschokt ze me aankeek. Deed ik dat echt? Heb ik haar echt geslagen? En daarna? Wat gebeurde er daarna?
Ik voel een migraine opkomen en bel de verpleegster, die me een pijnstiller geeft.
‘Er is bezoek voor u,’ zegt ze.
Het is Madelon. Ze strekt haar armen uit.
Ik hou mijn handen voor mijn gezicht en zeg dat het me spijt.
‘Maak je geen zorgen,’ lacht ze. ‘Een dolle avond. Zo’n dingen gebeuren. Het belangrijkste is dat je oké bent.’
‘Toch spijt het me. Ik had het niet moeten doen.’
‘Wat kon je doen? Het is trouwens waar, wat Steeve zei.’ Terwijl ze de woorden uitspreekt, fronst ze haar wenkbrauwen en klinkt haar stem steeds strenger. ‘Ik bén je andere helft. Je zult ermee moeten leren leven, schat.’
De deur gaat open en de verpleegster komt binnen. Ze loopt dwars door Madelon heen. Is de hoofdpijn beter? Tegen wie praatte ik? Sliep ik? Als ik wil slapen, dan zeg ik het maar.
Ik knik mechanisch. Terwijl ze door de deur stapt, werpt ze nog een wantrouwige blik over haar schouder, blijft een paar seconden staan en verdwijnt dan.
Madelon neemt mijn hand en trekt me naar het raam mee. Samen kijken we naar buiten, hand in hand. Het is weer aan het sneeuwen. Vlokken als witte vlinders, kriskras door elkaar. Het raam lijkt steeds groter te worden en de tuin in te zweven. Even kijken we elkaar aan en dan laten we onze ogen meedansen met de dwarrelende vlokken, klampen onze vingers steviger vast en warmen onze handen aan elkaar.
Ik hou mijn handen voor mijn gezicht en zeg dat het me spijt.
‘Maak je geen zorgen,’ lacht ze. ‘Een dolle avond. Zo’n dingen gebeuren. Het belangrijkste is dat je oké bent.’
‘Toch spijt het me. Ik had het niet moeten doen.’
‘Wat kon je doen? Het is trouwens waar, wat Steeve zei.’ Terwijl ze de woorden uitspreekt, fronst ze haar wenkbrauwen en klinkt haar stem steeds strenger. ‘Ik bén je andere helft. Je zult ermee moeten leren leven, schat.’
De deur gaat open en de verpleegster komt binnen. Ze loopt dwars door Madelon heen. Is de hoofdpijn beter? Tegen wie praatte ik? Sliep ik? Als ik wil slapen, dan zeg ik het maar.
Ik knik mechanisch. Terwijl ze door de deur stapt, werpt ze nog een wantrouwige blik over haar schouder, blijft een paar seconden staan en verdwijnt dan.
Madelon neemt mijn hand en trekt me naar het raam mee. Samen kijken we naar buiten, hand in hand. Het is weer aan het sneeuwen. Vlokken als witte vlinders, kriskras door elkaar. Het raam lijkt steeds groter te worden en de tuin in te zweven. Even kijken we elkaar aan en dan laten we onze ogen meedansen met de dwarrelende vlokken, klampen onze vingers steviger vast en warmen onze handen aan elkaar.